Koogerkerk.nl


   


 

Hoofdmenu

Home

Geschiedenis

Trouwen

Concerten

Exposities

Kerkdiensten

Orgels

Stichting

Vereniging

Winkel

Links

Contact


Submenu van Geschiedenis

Zuid-Scharwoude

Kooger Kerk

Opgravingen

kerkelijke gemeente


Submenu van kerkelijke gemeente

ds J.v.d.Linden

ds Jan Valk

ds S.P.Heringa

ds A.G.Reede

ds G.W.Melchers

   

Dominee Jan Valk (1763-1798)

Het ging niet goed met de schoolmeester

Arie Singer was niet de beste vertegenwoordiger van zijn stand en  Broek kon niet trots zijn op zo'n  schoolmeester. Nadat hij, zoals we in het vorige artikel gelezen hebben, promotie gemaakt had, ging het al gauw mis. Er liepen allerlei geruchten omtrent zijn omgang met de leerlingen en in 1752 pleegde hij oneerbare handelingen met twee van zijn meisjesscholieren. Dit deed de maat overlopen. Hij werd voor de schepenen en de kerkeraad gedaagd, die hem de 16e augustus van dat jaar afzetten als schoolmeester en voorzanger. Het schijnt dat hij het kosterambt heeft mogen behouden evenals dat van secretaris. Van de inkomsten dezer beide betrekkingen kon hij slechts ternauwernood in zijn onderhoud voorzien en weldra deed de armoede haar intrede in zijn woning. Wat moest hij doen? Het enige was zich te vernederen voor zijn superieuren en nederig te verzoeken of zij hem weer tot de school wilden toelaten.

Het dorp in rep en roer

Op den 29en augustus bemerkte men in het dorp dat er wat ernstigs aan de hand was. Alle aanzienlijken begaven zich op die dag naar het raadhuis. Dominee Jan Valk, die sinds 1763 te Broek stond, was niet aanwezig daar hij wegens familiebezoek buiten het dorp verblijf hield. Maar overigens waren allen present: de schout, de schepenen, de oud-schepenen, de leden van de vroedschap, de ouderlingen, de oud-ouderlingen, de diakenen en de oud-diakenen. Het moest wel een gewichtige zaak zijn, waarvoor alle notabelen bijeengekomen waren. En dat was ook zo. Want Singer had zich in zijn betrekking van secretaris schuldig gemaakt aan verduistering van gelden die hij had moeten afdragen aan den heer Daay, ontvanger te Alkmaar. Deze had vergeefs gewacht op betaling en de termijn was al enige tijd verstreken. Daarom schreef de heer Daay een niet malse brief aan de regenten van Broek en sommeerde ze om binnen drie maal 24 uur de achterstallige gelden te voldoen. Zo kwam het bedrog van Singer uit. De dorpskas betaalde, maar de regenten besloten krasse maatregelen te nemen. Dus werden de bovengenoemde heren samengeroepen om te beslissen wat hun te doen stond. Natuurlijk werd Singer voor hen gedaagd en in staat van beschuldiging gesteld. Van berouw over zijn misdrijf was weinig te bemerken, hij trad zelfs brutaal op, alleen voerde hij tot zijn verontschuldiging aan dat hij door armoede tot deze stap was gekomen en het geld voor zijn huishouding had gebruikt. Hiermee konden de heren tevreden zijn en het is niet te verwonderen dat de vroegere zonden van Singer weer in herinnering werden gebracht.

De predikant werd teruggeroepen

Dadelijk schreef men een brief aan dominee Valk, waarin de toedracht van de zaak uiteengezet werd en men zijn advies vroeg, wat de kerkeraad in deze moest doen. De predikant vond de kwestie te gewichtig om dit schriftelijk af te doen en brak zijn verlof af. Toen na acht dagen geen bericht van Singer was ingekomen kwam de vergadering de vijfde september opnieuw bijeen, nu onder voorzitterschap van dominee Valk. Op het bepaalde uur was Singer present. Nu probeerde hij zijn fouten niet te verbloemen. Hij had gezien dat het ernst was en toen hem zijn zonderegister voorgehouden werd, wist hij niets beters te doen dan te bekennen. Maar daarmee was ook zijn vonnis geveld. Hij werd naar buiten gestuurd waar hij moest wachten op de uitslag der beraadslagingen. Nu kwamen er twee voorstellen ter tafel. Zou men hem alleen uit zijn kerkelijke ambten ontslaan of hem tevens zijn ambt van schoolmeester ontnemen? Men besloot tot het laatste, zodat Singer op straat stond. Hij werd nu binnengeroepen en bij monde van de predikant werd hem zijn vonnis meegedeeld: Deze voegde er nog een vermaning aan toe, om zijn leven te beteren. Evenals in 1752 zal Singer wel onder de kerkelijke censuur gesteld zijn. We kunnen ons wel enigszins voorstellen hoe zijn verdere leven verlopen is. Voor hem zullen wel gegolden hebben de woorden: "Werken kan ik niet, te bedelen schaam ik mij." We zien hem meer en meer afzakken, langzamerhand verarmen, levende van diaconale ondersteuning. Voor de akker stonden zijn handen verkeerd, de vroegere schoolmeester werd een straatfiguur. Eenmaal duikt hij nog in de annalen van Broek op. Het is in 1780, wanneer hij werd aangesteld tot turftonder(1). Welke functie dit precies is geweest weet ik niet, maar dat het een nederige betrekking was kunnen we wel aannemen.

(1) De turf ging in een geijkte ton om de juiste maat te bepalen. Precies een klusje voor Singer.

Uit: Dirk Langedijk vertelt - Deel 48

Bewerkt door: Jan IJff